FMB – mobiliteitsbudget berekenaar
Steeds meer Belgische bedrijven stappen over op het federale mobiliteitsbudget. Dat systeem laat werknemers toe om hun bedrijfswagen of het recht op een bedrijfswagen om te zetten in een flexibel mobiliteitsbudget. Met dat budget kun je bijvoorbeeld kiezen voor een elektrische bedrijfswagen, duurzame vervoersopties zoals openbaar vervoer of fietsleasing, of een restsaldo dat aan het einde van het jaar in cash wordt uitbetaald. Het mobiliteitsbudget is daardoor uitgegroeid tot een interessant alternatief voor de klassieke bedrijfswagen, vooral nu mobiliteit, duurzaamheid en flexibiliteit steeds belangrijker worden binnen bedrijven.
Voor werkgevers is het mobiliteitsbudget echter niet zomaar een bedrag dat je vrij kunt bepalen. In België wordt het budget namelijk berekend op basis van de Total Cost of Ownership (TCO) van de bedrijfswagen of referentiewagen. Dat betekent dat je rekening moet houden met alle kosten die een werkgever jaarlijks betaalt voor een wagen: lease of afschrijving, brandstof of elektriciteit, verzekering, onderhoud, banden, CO₂-solidariteitsbijdrage, belastingen en eventuele niet-aftrekbare btw. Al deze kosten samen bepalen hoeveel mobiliteitsbudget een werknemer maximaal kan krijgen.
Daarnaast gelden er wettelijke grenzen. Het mobiliteitsbudget moet minstens €3.233 per jaar bedragen en mag maximaal €17.244 per jaar zijn (bedragen 2026). Bovendien mag het budget nooit hoger zijn dan 20% van het totale brutojaarloon van de werknemer. Voor werkgevers betekent dit dat de berekening correct moet gebeuren en dat de methode transparant moet zijn. Werknemers hebben namelijk het recht om te weten hoe hun mobiliteitsbudget precies tot stand komt.
Om het eenvoudiger te maken hebben we hieronder een praktische calculator voor het Belgische mobiliteitsbudget op basis van TCO gemaakt. Met deze tool kun je snel berekenen hoeveel mobiliteitsbudget er beschikbaar is, maar ook controleren of het budget binnen de wettelijke grenzen blijft. Werkgevers kunnen de calculator gebruiken als hulpmiddel bij het bepalen van het budget, terwijl werknemers eenvoudig kunnen controleren of de berekening klopt.
In de calculator kun je de belangrijkste kostenposten invoeren die samen de jaarlijkse werkgeverskost van de wagen vormen. Vervolgens zie je automatisch hoeveel mobiliteitsbudget daaruit voortvloeit en hoeveel ruimte er nog overblijft voor verschillende bestedingen binnen het systeem van de drie pijlers. Zo krijg je snel inzicht in hoe het mobiliteitsbudget werkt en hoeveel flexibiliteit er in jouw situatie mogelijk is.
FMB mobiliteitsbudget calculator België op basis van TCO
Deze calculator berekent het federale mobiliteitsbudget op basis van de jaarlijkse Total Cost of Ownership (werkelijke werkgeverskost) van de bedrijfswagen of referentiewagen. Je kunt er ook meteen mee controleren hoeveel budget er overblijft voor pijler 2 en welk theoretisch cashsaldo in pijler 3 overblijft.
1. Jaarlijkse TCO / werkelijke kost
2. Wettelijke grenzen en controle
3. Besteding binnen het budget
Resultaat
Hoe een werkgever dit correct gebruikt
Als werkgever vertrek je bij deze TCO-tool vanuit de jaarlijkse bruto werkgeverskost van de bedrijfswagen die wordt ingeruild, of van de referentiewagen waarop de werknemer recht zou hebben. In de TCO neem je dus niet alleen lease of afschrijving mee, maar ook kosten zoals brandstof of laden, verzekering, onderhoud, CO₂-solidariteitsbijdrage, niet-aftrekbare btw en belasting op niet-aftrekbare autokosten. Officieel moet je bovendien consequent één methode toepassen: ofwel per individuele werknemer, ofwel via een referentiewagen per functiecategorie, en die keuze geldt in principe voor drie jaar. Ook voor werknemers zonder huidige bedrijfswagen, maar die er wel recht op hebben, mag je dus met een referentiewagen werken.
Belangrijk is ook dat deze calculator enkel de werkelijke-kosten/TCO-benadering simuleert. Sinds 2024 bestaat er namelijk ook een forfaitaire formule met een vaste component en in veel gevallen een variabele kilometercomponent. Gebruik deze tool dus vooral wanneer je als werkgever je mobiliteitsbudget op basis van reële kosten wil berekenen of controleren. Kies je intern voor de forfaitaire methode, dan moet de rekensystematiek worden aangepast.
Praktisch werkt het het best als je eerst per wagen of functiecategorie een vaste TCO-sheet opbouwt. Daarna controleer je of de uitkomst binnen de wettelijke vork blijft. Voor 2026 betekent dat: minimaal € 3.233, maximaal € 17.244, én nooit meer dan 20% van het totale brutojaarloon. Daarna leg je het budget schriftelijk vast, deel je de berekeningswijze en het bedrag vooraf mee aan de werknemer, en beheer je alles via een mobiliteitsrekening. Die rekening mag zelfs een digitaal rekenblad zijn, zolang je er het budget, de kosten en het saldo correct mee kunt opvolgen.
Hoe een werknemer dit kan controleren
Als werknemer kun je deze tool gebruiken als een redelijkheidstoets. Vraag eerst aan je werkgever of HR welke wagen als basis is genomen: je huidige bedrijfswagen of een referentiewagen uit jouw functiecategorie. Vraag daarna welke kosten effectief in de TCO zijn opgenomen. Zie je alleen leasekost staan, dan is de kans groot dat de berekening te laag is. Zie je net heel veel losse posten terugkomen, dan moet je controleren of die kosten ook echt binnen het bedrijfswagenbeleid vallen. De overheid vertrekt namelijk van de totale jaarlijkse werkgeverskost van de wagen, niet van een willekeurig afgerond budgetbedrag.
Controleer vervolgens of het berekende jaarbudget niet boven de wettelijke limieten uitkomt en of je een duidelijk zicht krijgt op de afrekening. De werknemer moet immers toegang hebben tot informatie over de stand van het mobiliteitsbudget en het beschikbare saldo. Dat is extra belangrijk wanneer er in pijler 1 nog kosten binnenlopen, zoals laden, parking of bijkomende autokosten. Op het einde van het kalenderjaar wordt een eventueel resterend saldo in pijler 3 in geld uitbetaald, maar daar gaat wel een bijzondere werknemersbijdrage van 38,07% af. Daardoor is het slim om vooral goed te kijken naar pijler 1 en 2, en minder uit te gaan van “cash op het einde”.
